Azie-Afrika 2010-2011,  Pakistan

Pakistan Bikers Club – Pakistan

De overgang van Iran naar Pakistan is enorm. Pakistan is zo’n land dat eigenlijk niet te beschrijven is. Dat je moet ervaren, zien, ruiken, voelen….
De mensen zien er opeens heel anders uit. Waarschijnlijk zijn er veel verschillende ‘tribals‘ en ook vluchtelingen uit Afghanistan. De mannen hebben een broek en een jurk aan, veelal wit of bruin en alles daartussen. Ze dragen moslimhoedjes met een hap eruit aan de voorkant, een doek of tulband om hun hoofd of een ‘Taliban’pet. Vooral veel oudere mannen hebben een oranje henna snor, baard en haar. Ook de dieren, ezels, schapen, geiten en kamelen zijn met henna beschilderd.
Vrouwen zie je bar weinig, maar degene die we gezien hebben dragen kleurrijke jurken en sluiers, vaak met glinsterende dingetjes eraan en gouden neusknopjes. Inmiddels heb ik ook veel gezichtssluiers gezien en de klassieke boerka, met een ‘raampje’ voor de ogen. In Quetta en omgeving was het nog redelijk rustig, er wonen niet zoveel mensen in de woestijn. Dat maakt het overigens moeilijk bang te zijn in Baluchistan, er is namelijk letterlijk niemand om bang voor te zijn.

Vanuit Quetta hebben we besloten de zuidelijke route, via Sukkur te nemen. De route bovenlangs is verboden voor buitenlanders en voor de meest logische hebben we een speciale ‘permit’ nodig. Het is echter drie dagen slachtfeest en dan zouden we moeten wachten tot alles weer open is. Het eerste stuk hebben we weer politie-escortes, maar op een gegeven moment waren we vrij. Joepie, lekker doorrijden dus! Ook hier weer schitterende bergwegen, we zien een spoorlijn en komen langs een dal met rivier waar veel mensen zich baden en picknicken. Overal kijken we onze ogen uit. Veel auto’s zijn er niet. Daarentegen wel veel prachtig versierde vrachtwagens in alle soorten en maten. ’s Avonds zijn ze nog veel indrukwekkender, er blijken heel veel reflectoren en ander lichtgevends op en aan te zitten. Het lijkt de kerstreclame van Coca-Cola wel: “Holidays are coming…..” Andere voertuigen die we tegenkomen zijn fietsen, riksja’s, ezelkarren, kamelenkarren, bussen, tractoren met kar, alles rijkelijk en vrolijk versierd al dan niet met luidsprekers waaruit de Bollywood-sterren schallen. En dat alles is meestal bedoeld voor transport van het een en ander. Ook dit doet ons steeds weer verbazen. Ongelooflijk wat er allemaal in en op past, qua mensen en goederen. Ik vraag me vaak al af hoe ze het opgestapeld krijgen. De bussen en busjes puilen aan alle kanten uit en er zitten ook mensen op het dak. Ik vind het fantastisch hier rond te kunnen rijden en me te vergapen aan de gekte om me heen. Ook Merijn zie ik regelmatig grijnzen in zijn helm.
Omgekeerd vergapen zij zich misschien nog wel meer aan ons. Mensen staren en zwaaien, blijven staan met gezichten vol van verbazing. Als we stoppen zijn we al snel omsingeld door een starende mensenmassa, waarvan de meest moedigen ons aanspreken, handjes schudden en foto’s maken. Ja, ook hier zijn de mobiele telefoons met camera doorgedrongen. Dat maakt het trouwens wel gemakkelijk voor ons, iedereen wil graag op de foto.
We eten in een wegrestaurant. Er staan grote pannen op het vuur, 2 mannen zitten op een grote klei-oven broden te bakken (chapati’s) en er wordt gegeten op bedden van touw. We staan een tijdje onbeholpen bij de pannen en gaan dan maar zitten in de hoop dat iemand ons vraagt wat we willen. Een jongetje brengt ons een dienblad met schaaltjes daal (linzen), groenten, kip en chapati’s. Heerlijk! Ik kan echter nauwelijks eten omdat er een jongen bijna op m’n schoot zit terwijl zijn vrienden foto’s van me maken. Ik voel me een beetje ongemakkelijk, maar gelukkig vertrekt zijn bus en gaat hij weg. Privacy en afstand zijn hier andere begrippen, of beter: onbekend.

Aan het eind van de dag wordt de weg aanzienlijk slechter en op een zeker moment realiseer ik me dat we het rampgebied van de overstromingen binnenrijden. Dit zijn niet meer de enkele tenten van nomaden of armoede. Hier staan hele tentenkampen langs de weg met de emblemen van UNHCR, Unicef en andere hulporganisaties. Aan de andere kant van de weg zie ik massa’s anonieme graven, in de gauwigheid versierd met steentjes. Dit is andere koek, hier word je stil van en vraag je je af wat je hier eigenlijk doet. Maar wat kun je doen? Tegelijkertijd zie ik dat de mensen ‘gewoon’ doorgaan met leven. De tentenkampen vertonen al verschijnselen van meer permanente bewoning, er is plaats voor vee en er staan hutjes naast de tijdelijke tenten. Het land zit onder een dikke laag modder en staat gedeeltelijk nog steeds onder water, maar er wordt ook bewerkt en geoogst. Scheefstaande elektriciteitsmasten staan gestut in het water. Leven en dood gaan hier hand in hand. En nog steeds word er naar ons gezwaaid, gelachen en worden we welkom geheten….

We hebben inmiddels ook weer een politie-escorte, hierdoor en door de weg die eigenlijk zo goed als weg is, is het alweer donker als we met politiesirenes Jacobabad binnenrijden. Wat een gekkenhuis! Overal mensen, ezels, blubber, het stinkt naar eieren en vuilnis en we zijn kapot. Onze motoren raken oververhit van het langzame rijden en ikzelf ook. In Baluchistan was het overdag flink heet, maar de ochtenden en avonden bitterkoud. Ik heb vanochtend mijn thermokleding aangetrokken, ook omdat rondlopen in een T-shirt ‘not done’is en mijn kleedje een sleutelkleedje geworden is. Mijn thermo is het enige met lange mouwen dat ik heb. Met politiesirene worden we naar het hotel geleid, waar ik eindelijk mijn kleren uit kan trekken en een lekkere douche kan nemen. Wat een dag!

’s Ochtends vertrekken we weer vroeg richting Multan. Het is een flink eind rijden en het is onzeker hoe de situatie in Sukkur zal zijn. Hier komen de Indus en een andere rivier bij elkaar en we weten niet of er nog bruggen zijn. Tot aan Sukkur zien we de sporen van de watersnoodramp. Sukkur zelf is een enorme stad met bijbehorende gekte en hectiek. Uitpuilende minibusjes, kamelen, geiten in riksja’s, je kijkt je ogen uit. De brug is prima, een beetje Eifeltorenstijl. We lunchen weer langs de weg met curry, chapati’s, chai en vele toeschouwers. In de avond bereiken we Multan, we rijden dwars door de stad waar we vast komen te zitten in het verkeer. Het hotel dat we vinden via de GPS coördinaten blijkt vol. Ook de volgende 2 die we vragen zeggen geen plek voor ons te hebben, terwijl er genoeg sleutels in het sleutelkastje liggen. De mensen bij de balie zijn bijzonder ongeïnteresseerd en willen ons duidelijk niet helpen. Blijkbaar zitten ze hier om een of andere reden niet op toeristen te wachten. We hadden al zoiets gelezen. Zo eindigen we in een veel te duur hotel, maar besluiten toch een dag te blijven. Het waren lange, hectische dagen en we moeten op zoek naar gereedschap, pomp en spanningsmeter die we onderweg verloren zijn. Dus lopen we volgende dag de stad in en gaan op zoek. Alhoewel het een onmogelijke taak lijkt als je de stad voor het eerst zou zien, blijkt alles mogelijk in Pakistan. We vinden een hele straat met gereedschapswinkels en komen na enkele bij een aardige man die alles voor ons heeft en voor een pomp zijn zoon erop uit stuurt. Ondertussen hebben wij een heel gesprek met hem over de Taliban, Amerika etc. terwijl hij cola en eten voor ons koopt en rekent ons uiteindelijk alleen de inkoopsprijs.

Als we willen vertrekken staat de politie alweer op ons te wachten bij het hotel en ik ontdek dat ik alweer een lekke band heb. Oeps! Gelukkig is Merijn al een beetje bedreven en hebben we het in een half uur gefikst. We rijden, met alleen kleine sigaretpauzes, in één ruk door naar Lahore, een stad met 10 miljoen inwoners. Het is een beetje overbodig te beschrijven hoe druk het hier is, om de smog maar helemaal niet te noemen. Nu zijn we lekker aan het bijkomen in Lahore. We zijn in een heel relaxt Guesthouse, Regal Internet Inn, waar we voor het eerst andere toeristen zien. Een Japanner die al 2 jaar in Azië reist, een Nieuw-Zealander die al 6 jaar onderweg is, een jonge Engelsman die hier klassieke zanglessen heeft en zo onder de indruk is dat hij graag langere tijd wil blijven, 4 fietsers uit Frankrijk die via de Karakoram Highway vanuit China zijn komen fietsen, een frans-roemeens stel die hun kinderen (1 en 4 jaar) regelmatig naar een crèche in het betreffende land sturen, allemaal bijzondere reizigers dus. De tweede avond werden we met zijn allen uitgenodigd om met Sufi drummers naar een bruiloft te gaan waar zij speelden. Gonga Sain is de beste Dhol drummer van Pakistan die in vele landen heeft opgetreden en doofstom is. Het is een bijzondere belevenis en Gonga is een superaardige man. Na een privé concertje komt het bruidspaar binnen, eerst de man en dan de vrouw. Als de bruidegom binnenkomt dansen er mannen van de familie vóór hem en er wordt rijkelijk met bankbiljetten gestrooid die door anderen, mensen die bij de band horen en kinderen, tussen de dansende voeten worden weggegraaid. Als de bruid binnenkomt worden wij, de blanke meisjes, geroepen en lopen voorop met gouden manden gevuld met glazen armbanden en andere dingen. Er is een buffet en na het eten, zoals zo vaak, is het opeens afgelopen en gaat iedereen weg. We gaan in een paar riksja’s nog naar een andere bruiloft. Deze keer bij iemand thuis, een armere en meer conservatieve familie. De jongens moeten meedansen in een steeg en de vrouwen blijven achter bij de Pakistaanse vrouwen. Een Pakistaanse bruiloft telt 3 dagen en vele rituelen, we hebben een stukje mogen meemaken.

De volgende dag lopen we wat door Lahore en hebben ’s avonds afgesproken met leden van de Pakistaanse Bikers Club, die we via de HUBB hebben gevonden. Degene waar we contact mee hebben woont in een rijke buurt en blijkt nierspecialist te zijn. Ook andere leden zijn aanwezig. Je moet wel geld hebben om hier in Pakistan een grote motor te rijden. De importbelasting is 200%! Omie woont in een groot, mooi huis dat we al lang niet meer gezien hebben. Zijn bediende brengt drankjes rond en er is voor lekkere hapjes gezorgd. We praten over van alles, motoren, de politie-escortes en veiligheid in Pakistan en corruptie. Het is een integere man die ervoor kiest zijn geld in Pakistan te spenderen en niet in het buitenland verblijft, zoals zo vele rijke Pakistanen. Als het schip zinkt, zinkt hij met hen mee. Net als de man in de gereedschapswinkel relativeert hij de situatie in Pakistan. Pakistan heeft internationaal een slechte naam, maar er zijn slechts enkele rotte appels op een bevolking van 180 miljoen en in New York sterven ook dagelijks een hoop mensen door geweld. De meeste Pakistani zien hun gastvrijheid als een plicht, ontvangen ons met open armen en zien ons als “broeders”. Het is mij al vaker opgevallen dat mensen in Syrië, Iran en Pakistan wél in staat zijn een scheiding te maken tussen staat en hun bewoners. Iets dat ik in gesprekken met Nederlanders vaak mis.
We worden door de bikers uitgenodigd voor een traditioneel Pakistaans ontbijt morgenvroeg, zondag is voor de meeste van hen hun enige vrije dag. Zo worden we om 8 uur opgehaald voor ons hotel en gaan we met z’n allen op de motoren naar de oude stad. Hier is het een wirwar van straatjes en steegjes en we trekken als een circus voorbij. We eten ‘Hareesa’, een soort ragout van vlees en linzen dat een nacht heeft doorgekookt, met naan. Ze noemen het ‘energetic food’ en het was het lievelingshapje van de profeet Mohammed. Het smaakt goed en houdt ons de hele dag op de been. De oude stad is ommuurd en in de steegjes zien we veel oude huizen die er vroeger prachtig uitgezien moeten hebben en nu een vergane glorie uitstralen. Aan de rand van deze stad ligt het Lahore Fort en de Badshahi Moskee, beiden uit de Mughal periode. De moskee is immens, prachtig en doet me denken aan de Jammu Mashid in New Delhi, India die uit dezelfde periode stamt, maar deze is nog groter. De Mughals regeerden over vrijwel het hele Indiase subcontinent en een deel van centraal Azië, van de 15de tot de 17de eeuw. Dezelfde artistieke en architectonische invloeden hebben we deels in Iran gezien. Ook de Taj Mahal stamt uit deze periode en in het Fort zagen we een fantastische replica uit ivoor. Vooral de moskee is enorm en indrukwekkend. Onze bikervrienden wijzen ons op wat akoestische vernuftigheden in de bouwstijl. Het geluid draagt van hoek tot hoek, zodat je elkaar kunt verstaan alsof je door een telefoon praat. Ook in de aangrenzende galerij, waar de koranleerlingen zaten, wordt het geluid op een bepaalde plek flink versterkt zodat zij hun leraar allemaal goed konden verstaan tot in het eind van de galerij. De gebouwen bestaan allemaal uit rode baksteen, gemetseld met leem en linzen.
Na uren rondleiding nemen de bikers ons mee naar een motorshowroom van één van hen die ‘Big Bikes‘ importeerd. Onderweg passeren we nog de zogenaamde ‘Autoparts market’, een wijk van 1400 winkels, eigendom van Ijaz, degene die ons de hele dag heeft rondgeleid. Hier zwaait iedereen naar hem, voor de verandering. Na het bezoek aan de motorwinkel nemen ze ons nog mee voor een pizza en ‘paan’ als afsluiter en natuurlijk mochten we niet één keer betalen. E-mailadressen en facebook accounts worden uitgewisseld en met een warm hart nemen we afscheid van hen, wat een bijzondere ontmoetingen en dag was het weer!
’s ochtend brengt een van hen ons nog stickers van hun club en de pakistaanse vlag die we op onze koffers kunnen plakken, we worden beschouwd als nieuwe leden hun club en kunnen op weg als ambassadeurs voor Pakistan.

Op onze laatste dag in Lahore gaan we op zoek naar een lasser voor Merijn’s kofferrek dat weer gebroken is. De andere kant hebben we al in Yazd laten lassen en verstevigen. Altijd leuk. Het blijkt makkelijk te gaan deze keer en voor 200 roepies (bijna 2 euro) zijn we klaar. In de avond hoor ik Helen’s gegiechel in het hotel. De Ieren zijn aangekomen. Een gelukkig weerzien volgt en als ook Bryn, een Engelse jongen, is aangekomen is de hele bikerfamilie voor het eerst bij elkaar. We halen wat te eten, drinken een biertje en vertellen elkaar verhalen. Helen, Neil en Bryn blijven hier een paar dagen, Thierry gaat naar India, Tom, Merijn en ik gaan morgen naar Islamabad waar hij zal blijven om een Indiaas visum aan te vragen. Het ziet ernaar uit dat we met z’n tweetjes de bergen in gaan en na lange tijd weer es alleen op pad zijn….
We gaan de Karakoram Highway op, de hoogste internationale weg ter wereld, een deel van de oude zijderoute die China en Pakistan met elkaar verbind. Het is eigenlijk niet het goede seizoen, maar we zien wel hoe ver we komen, als het te koud wordt gaan we terug.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.